Fysiotherapie bestaat uit:
Massage is een toepassing van technische handgrepen op het menselijk lichaam. Dit is een technische benadering van iets wat juist sterk met het gevoel te maken heeft. Zowel het gevoel van de patiënt of ontvanger, maar ook van de masseur zelf.
De ontvanger moet een gevoel ervaren waarbij hij/zij volledig in staat wordt gesteld om zich te ontspannen. In de praktijk betekent dit een prettige, rustige, lekker warme (maar niet hete!) omgeving. Achtergrondmuziek kan rustgevend werken. Er moet geen knellende kleding worden gedragen. Lichaamsdelen waar niet wordt gemasseerd worden afgedekt.
De masseur moet ook ontspannen kunnen werken. Vaak zal de ontvanger op een behandelbank liggen die hoger of lager gesteld kan worden, zodat de masseur zonder problemen of moeilijke houdingen overal bij kan. De masseur zal met gevoel moeten werken om de oorzaak van een pijnklacht of gespannen spier te kunnen voelen. Hiervoor zal hij met zijn vingers of hand een lichte maar stevige druk uitoefenen om de kwaliteit van het weefsel te bepalen.
Er zijn zeer vele massage-technieken, maar in dit geval wordt m.n. de klassieke massage bedoeld, welke bestaat uit:
intermitterend drukken,
effleurage,
petrissage,
frictioneren,
tapôtements.
=>Intermitterend drukken is een techniek om de toestand van het weefsel te ervaren. Het is een prima techniek om mee te beginnen. Ook kan deze techniek toegepast worden bij (lichte) oedeembestrijding, oftewel afvoer van een teveel aan vocht in het weefsel.
=>Effleurages zijn wrijvingen. Een techniek om met de volle hand, of de (gestrekte) vingers over de huid te "wrijven" in lange rustige bewegingen. Uitstekend geschikt om ontspanning te bewerkstelligen, of een extra activiteit in de huid van de circulatie te vragen.
=>Petrissages zijn knedingen. Dit kan ook met de volle hand - of eigenlijk de duimmuis of pinkmuis - maar ook met de vingertoppen. De handen maken dan een draaiende beweging die krachtig eindigt. Rustige petrissages kunnen met name ontspannend werken; Stevige petrissages werken met name activerend.
=>Frictioneren is een techniek om de circulatie op een klein gebiedje stevig te activeren. Hierbij wordt meestal de duim of wijsvinger (kan ook middelvinger of eventueel elleboog) op de huid gezet waarbij in cirkels, of dwars op de spier of pees, kracht wordt uitgeoefend, maar de duim ten opzichte van de huid niet beweegt. Dit kan in eerste instantie de pijn doen verergeren, maar binnen enkele minuten hoort het pijngevoel te verminderen, of de druk van de vinger wordt minder sterk ervaren. Na het loslaten komt er een versterkte locale circulatie op gang waarbij herstel wordt bevordert.
=>Tapôtements zijn kloppingen. Hierbij worden de handen krachtig op het lichaam gebracht. Bekend is het kloppen van longpatiënten om het slijm los te trillen, waardoor het makkelijker opgegeven kan worden. Maar kloppingen kunnen ook bij inactieve spieren ter activering worden gebruikt, of (indien mild toegepast) juist ter sedering (=ontspanning). Het meest bekend zijn de kloppingen waarbij met een holle vuist op het lichaam wordt geslagen. Ook bekend is het kloppen met vuisten, waarbij de pinkmuizen worden gebruikt, of juist de vingerknokkels. Ook het neerkomen met de pinkmuizen en vervolgens de vingertoppen, of juist de rug van de vingers, zijn een veel gebruikte methode. Tegenwoordig worden bij longpatiënten vaak ademhalingstechnieken of medicatie gebruikt om het slijm los te krijgen.
Oefentherapie is een manier om het lichaam van de patiënt te laten bewegen in de ruimste zin van het woord. Anders gezegd: de patiënt kan bewogen worden door de fysiotherapeut (passieve oefentherapie) of door zelf te bewegen (actieve oefentherapie).
=> Voorbeelden van passieve oefentherapie zijn o.a. het doorbewegen van een patiënt die zelf niet meer kan bewegen door een verlamming. Ook het bewegen van een knie na een operatie valt hieronder. Op deze manier leert het gewricht weer om een andere positie in te nemen. Ook de spieren rondom dit gewricht worden weer uitgerekt, of krijgen weer de mogelijkheid om te verkorten. Vaak zal dit een inleiding zijn voor actieve oefentherapie, of juist in een situatie waarin een patiënt niets meer kan.
=> Voorbeelden van actieve oefentherapie zijn makkelijker voor te stellen: alle soorten van bewegen vallen hieronder. Het sterker maken van de spieren rondom de enkel na een verzwikking; het sterker maken van buikspieren bij rug-problemen, maar ook de coördinatie-verbetering van de rugspieren; de conditieverbetering bij een patiënt met hart-problemen; het op gewicht houden van een diabetes-patiënt.
Fysische therapie in engere zin is het gebruik van chemische, electrische, electro-magnetische, mechanische of thermische prikkels.
Chemische prikkels worden soms gebruikt in combinatie met gelijk-stroom.
Electrische prikkels worden het meest toegepast in de zin van gelijk- of wisselstroom. Gelijkstroom wil zeggen dat de plus- en minpool vast staan. Er ontstaat dus stroom met bepaalde effecten bij de plus- of minpool. Galvanische stroom wordt dit genoemd. Soms in combinatie met een zalf van medicatie waarbij delen van het medicijn het lichaam worden ingebracht en verder effect kunnen sorteren. Wisselstroom wil zeggen dat de beide polen om een bepaalde tijd van plaats wisselen. De effecten vinden nu plaats aan beide polen. Effecten zijn: betere doorbloeding; prikkelen of sederen van spieren (bij spastische of juist hele slappe spieren); prikkelen of sederen van zenuwbanen (bij bijvoorbeeld een HNP=hernia of juist bij herstel van zenuwweefsel na een operatie).
Bij electro-magnetische prikkels wordt gebruik gemaakt van hoogfrequente prikkels, zoals Radar (vergelijkbaar met de RADAR-straling uit de krijgsmacht), maar ook 16 cm-straling (vergelijkbaar met de magnetron) en Ultra Korte Golf (waarbij eigenlijk gebruik wordt gemaakt van korte golf straling). Bij al deze prikkels geld dat de prikkels geen gevaar voor het lichaam kunnen betekenen. Dit is bij wet vastgesteld. Het belangrijkste effect is circulatie-verbetering, waarbij een warmtegevoel optreedt, en ook zwelling slinkt.
Mechanische prikkels maken gebruik van druk op de cellen of weefsels. Het bekendste voorbeeld is ultra-geluid, wat door middel van geluidsgolven met een frequentie van 1 miljoen trillingen per seconde het weefsel en de cellen aanzet tot een verbeterde circulatie => verbeterde aanvoer van voedingsstoffen en zuurstof, en verbeterde afvoer van afvalstoffen waardoor herstel wordt bevorderd. Ook laser straling maakt gebruik van dit soort effecten.
Bij thermische prikkels wordt tenslotte gebruik gemaakt van koude- en warmte prikkels. Bij koude ontstaat een verbeterde circulatie en pijn vermindering. Wanneer de patiënt van koude houdt ontstaat er ook ontspanning. Bij warmte ontstaan dezelfde effecten, maar ontspanning staat hierbij meer op de voorgrond. Bovendien kan koude maar kort worden toegepast (hoogstens 10 minuten) omdat er anders juist vaarvernauwene effecten optreden met een bij behorende verminderde circulatie. Dit is ongewenst. Warmte kan zo lang worden toegepast als prettig voor de patiënt. Dat zal meestal ongeveer 10 tot 20 minuten zijn.